Nevus Outreach conferentie 2026
MANCHESTER 30 juni – 2 juli 2026
Tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de British Association of Dermatologists in Manchester vond ook het gezamenlijke congres van ESDaP — European Society for Dermatology and Psychiatry – en Psychodermatology UK plaats.
Dermatologen, psychologen, psychiaters en onderzoekers kwamen er samen rond een centrale vraag: wat gebeurt er wanneer we de huid niet als een geïsoleerd orgaan bekijken, maar als onderdeel van een mens die voelt, denkt, leeft en voortdurend in interactie staat met anderen?
Voor onze CMN-community is dat bijzonder relevant.
Leven met een zichtbare huidaandoening kan wel raken aan identiteit, lichaamsbeeld, sociale relaties, stigma, medische onzekerheid en de manier waarop iemand door anderen wordt bekeken.
Precies daar bevindt psychodermatologie zich: op het kruispunt van huid, lichaam, psyche en sociale omgeving.
Uit het congres selecteerde ik een aantal thema’s die volgens mij relevant zijn voor mensen met CMN en hun families.
Niet alleen vragen wat er misgaat, maar ook wat iemand helpt om goed te leven.
Binnen de psychodermatologie wordt traditioneel veel onderzoek gedaan naar psychologische belasting: angst, depressie, stress, stigma en verlies van kwaliteit van leven.
Professor Alex Zink draaide de vraag in zijn lezing Happiness and Dermatology gedeeltelijk om.
In de geneeskunde meten we voortdurend wat er misgaat: pijn, jeuk, angst, beperkingen en depressieve klachten. Veel minder vaak vragen we: Ben je gelukkig? Wat helpt je om goed te leven? Waar haal je hoop uit?
In eerder onderzoek van Zink en collega’s werden naast psychologische klachten ook positieve dimensies onderzocht, zoals levensvoldoening, positief affect en psychological capital. Daarbij kwam vooral hoop naar voren als een belangrijke dimensie van geluk.
Voor CMN is dat een waardevolle verschuiving.
Goede zorg zou niet alleen moeten vragen: heeft deze persoon last van zijn of haar CMN? Maar ook: kan dit kind vrij spelen? Durft deze jongere zich te tonen? Voelt iemand zich verbonden met anderen? Kan iemand relaties en intimiteit beleven zonder voortdurend met de eigen huid bezig te zijn? Waar vindt iemand plezier, vertrouwen en hoop?
Een groot nieuw Europees ESDaP-onderzoek sluit daarbij aan. In 23 centra verspreid over 15 Europese landen zal worden onderzocht hoe mensen met huidaandoeningen omgaan met coping, eenzaamheid en veerkracht. Ook de impact van de aandoening op partners wordt meegenomen. Het gaat op dit moment nog om een studieprotocol: resultaten van deze studie zijn er nog niet.
De keuze van de onderzoeksvragen is op zich al interessant. Naast depressie en angst wordt nu ook gekeken naar wat mensen helpt of juist kwetsbaarder maakt. Hoe gaan mensen met hun huidaandoening om? Hoe verbonden voelen ze zich? Wat helpt hen zich aan te passen aan moeilijke omstandigheden?
Voor CMN roept dat belangrijke vragen op. Welke rol spelen familie, vrienden, partners en lotgenoten? Wat betekent het om veel mensen om je heen te hebben en je toch alleen te voelen in een ervaring die weinig anderen werkelijk kennen? …
En ook het begrip veerkracht verdient nuance. Veerkracht mag geen nieuwe verplichting worden om altijd sterk of positief te zijn. Moeilijke gevoelens hebben betekent niet dat iemand onvoldoende veerkrachtig is. Veerkracht ontstaat ook door sociale steun, begrip, goede zorg en een omgeving waarin verschil mag bestaan.
Opgroeien met een huid die ook online bekeken wordt.
Een tweede belangrijke lijn die ik interessant vond op het congres ging over sociale media en beeldvorming.
Sibel Emilie Huet presenteerde onderzoek naar de invloed van sociale media op het psychologisch welzijn van jongeren met chronische huidaandoeningen.
Voor jongeren met een zichtbare huidaandoening speelt de digitale wereld zich niet los van het ‘echte leven’ af. Instagram, TikTok en andere beeldgerichte platformen zijn plaatsen waar normen over huid en uiterlijk voortdurend worden geproduceerd.
De huid die iemand in de spiegel ziet, wordt ook vergeleken met duizenden huiden op een scherm, vaak geselecteerd, gefilterd, bewerkt of commercieel ingezet.
Tegelijk zijn sociale media niet alleen negatief. Voor iemand met een zeldzame aandoening kan online contact ook betekenen: eindelijk iemand zien die op mij lijkt.
Lotgenoten ontmoeten, ervaringen uitwisselen en zichzelf herkennen in anderen kan enorm waardevol zijn.
Ook Roopa Farooki onderzocht deze digitale huidwereld in Doctors vs. Skinfluencers. Influencers slagen er vaak bijzonder goed in nabijheid en herkenbaarheid te creëren. Ze vertellen persoonlijke verhalen en spreken rechtstreeks tot hun publiek.
Net daardoor kan ook foutieve of onvolledige medische informatie soms heel overtuigend worden.
Medische professionals beschikken over betrouwbaardere kennis, maar communiceren online vaak afstandelijker en minder persoonlijk.
De interessante boodschap is volgens haar niet simpelweg: vertrouw artsen en niet influencers.
Betrouwbare informatie heeft ook menselijke verhalen nodig.
Voor patiëntenorganisaties is dat een belangrijk inzicht. Ervaringskennis en medische kennis hoeven geen concurrenten te zijn. Juist de combinatie van onderzoekers, zorgverleners, ervaringsdeskundigen kan bijzonder krachtig zijn.
Volgens mij is dat een tendens die al langer bezig is, maar er is een groot verschil in landen en culturen.
Wie leert ons hoe een ‘normale’ huid eruitziet?
Een van de presentaties onderzocht hoe huid wordt weergegeven in films, televisieseries, animatie en anime.
Kosar Babani en collega’s analyseerden 400 populaire producties. Wanneer opvallende huidkenmerken voorkwamen, bleken dat vooral littekens, brandwonden en andere vormen van verworven huidbeschadiging te zijn. Echte huidaandoeningen en aangeboren huidverschillen kwamen veel minder voor.
Nog interessanter was de betekenis die aan zo’n huid werd gegeven.
Littekens konden staan voor heroïek, overleving en veerkracht, maar evengoed voor dreiging, slechtheid of morele beschadiging. Maskers, verbanden en cosmetische aanpassingen werden bovendien regelmatig gebruikt om zichtbare huidkenmerken te verbergen.
De onderzoekers concludeerden dat huid in populaire media vaak als een soort narratieve taal wordt gebruikt: een afwijkende huid moet iets vertellen over wie iemand is.
Een aangeboren naevus is geen teken van karakter, gevaar, trauma of moraliteit. Toch groeien we allemaal op in een beeldcultuur waarin een opvallende huid zelden gewoon aanwezig mag zijn. We leren al vroeg bepaalde lichamen en gezichten te ‘lezen’.
Een andere studie uit Manchester trok die vraag door naar artificiële intelligentie.
Kyle Leith en collega’s vergeleken echte gezichten en AI-gegenereerde gezichten, telkens met en zonder een zichtbare huidaandoening.
Echte gezichten werden realistischer beoordeeld dan AI-gezichten. AI-gezichten kregen gemiddeld hogere aantrekkelijkheidsscores. Gezichten zonder zichtbare huidaandoening werden aantrekkelijker beoordeeld dan gezichten met een zichtbare huidafwijking.
Opvallend was ook dat gezichten met een zichtbare huidaandoening als minder realistisch werden beoordeeld dan gezichten zonder zo’n aandoening. Dat effect was sterker bij AI-beelden.
Dat betekent niet dat deelnemers letterlijk dachten dat zulke huiden niet bestaan. Het laat wel zien dat echte en AI-gegenereerde gezichten niet op dezelfde manier worden waargenomen en dus niet zomaar uitwisselbaar zijn in onderzoek naar stigma, aantrekkelijkheid of visible difference.
Het roept een bredere vraag op. Naarmate steeds meer beelden die ons omringen worden gefilterd, geoptimaliseerd of volledig gegenereerd, welke huid wordt dan telkens opnieuw als vanzelfsprekend of normaal geproduceerd?
Voor awareness betekent dat dat méér zichtbaarheid op zichzelf niet genoeg is. Het gaat ook over hoe we zichtbaar zijn.
Daar ligt een belangrijke opdracht voor representatie: niet alleen tonen wat CMN is, maar mee veranderen wat een zichtbaar andere huid in onze collectieve verbeelding betekent. De vraag is hoe we dit kunnen veranderen?
Psychologische zorg hoort niet pas te beginnen wanneer iemand vastloopt
Ruben Lauterbach stelde de ontwikkeling van de nieuwe Duitse S3-richtlijn Psychosomatische Dermatologie voor. Een S3-richtlijn behoort in Duitsland tot het hoogste methodologische niveau van medische richtlijnontwikkeling.
Aan de ontwikkeling werkten 39 experts uit 29 beroepsverenigingen en patiëntenorganisaties mee.
Het uitgangspunt is dat psychologische comorbiditeit bij mensen met dermatologische aandoeningen vaak onvoldoende aandacht krijgt in de dagelijkse zorg. Daarom bevat de richtlijn aanbevelingen om ook binnen de dermatologie aandacht te hebben voor psychische klachten en waar nodig te screenen.
De verklaringsmodellen kijken daarbij onder andere naar psychoneuro-immunologische stressregulatie, schaamte, stigmatisering en maladaptieve copingstrategieën.
De richtlijn probeert psychodermatologische zorg minder afhankelijk te maken van toevallige expertise van individuele hulpverleners en meer structureel te verankeren in de gezondheidszorg.
Daarachter zit een eenvoudige maar belangrijke vraag: waarom zouden we wachten tot iemand vastloopt?
Waarom zouden vragen over pesten, schaamte, lichaamsbeeld, relaties, sociale vermijding of welzijn niet vanzelfsprekend onderdeel kunnen zijn van dermatologische follow-up?
Een concreet voorbeeld van geïntegreerde zorg kwam uit het Universitair Ziekenhuis van Basel.
Daar werd voor mensen met chronische jeuk een gespecialiseerde bi-disciplinaire kliniek opgericht waarin dermatologische en psychosomatische beoordeling en behandeling worden gecombineerd. Bij het eerste bezoek wordt zowel de lichamelijke als de psychologische belasting systematisch in kaart gebracht.
De eerste gegevens bij 148 patiënten lieten een aanzienlijke ziektelast zien, met onder andere sterke jeuk en een duidelijke aantasting van de kwaliteit van leven. Gemiddeld waren depressieve en angstklachten eerder mild, maar bij sommige patiëntengroepen waren ze duidelijk sterker aanwezig.
De specifieke kliniek gaat niet over CMN, maar het zorgmodel is interessant.
Psychologische ondersteuning hoeft niet te betekenen dat iemand een psychische stoornis heeft. Ze kan deel uitmaken van brede en preventieve gezondheidszorg.
Voor CMN zou dat bijvoorbeeld kunnen betekenen dat psychosociale vragen op bepaalde momenten vanzelfsprekend worden meegenomen: bij de start op school, tijdens de adolescentie, rond medische ingrepen of beslissingen, of wanneer iemand zelf aangeeft dat zichtbaarheid en reacties van anderen moeilijker worden.
Stress en de huid
Professor Eva Peters, psychoneuro-immunoloog, dermatoloog en specialist in psychosomatische geneeskunde, besprak in haar lezing Stress and the Skin: Psychoneuroimmune Brain–Body Interactions de complexe wisselwerking tussen zenuwstelsel, immuunsysteem, hormonen en huid.
Haar onderzoek laat zien dat stress niet simpelweg iets is wat zich ‘tussen de oren’ bevindt. Stress activeert biologische systemen in het hele lichaam. Ook de huid beschikt over zenuwen, immuuncellen en lokale stressmechanismen.
De lezing en het onderzoek van Peters hebben voornamelijk betrekking op andere dermatologische, vaak inflammatoire aandoeningen. We mogen deze mechanismen dus niet rechtstreeks naar CMN vertalen.
Wat wel relevant blijft, is het bredere inzicht dat lichamelijk en psychologisch leven niet netjes van elkaar te scheiden zijn.
Anne Dekerk
Nevus Netwerk Nederland / Naevus Belgium